2.0 Drops

Floating in the 2.0 world ~ connected by the web


3 reacties

Studenten en hun ‘Personal Information Management’

2,5 maand geleden vertelde ik jullie dat ik mijn scriptie had ingeleverd en dat het wachten was op het verdict. Dat verdict is gevallen: 7,5/10 en het feit dat dat verdict mij de titel Master of Arts heeft opgeleverd is ook al uitgebreid gevierd: 2 weken geleden was mijn diploma-uitreiking en eergisteren heb ik mijn masterparty gehouden.

Tijdens deze party, die plaats vond in de Haagse Hogeschool – mijn werkplek en tevens de plek waar ik het onderzoek voor mijn scriptie heb uitgevoerd, heb ik een presentatie gehouden over mijn scriptie. In de inleiding daarvan gaf ik aan dat mijn scriptie niet alleen de afsluiting vormt van mijn masteropleiding Culturele Informatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam, maar dat het ook het slot is van een onderwijstraject dat in 2002 begon in het Belgische Genk. Dat traject is uiteindelijk een logische route gebleken – die je stap voor stap kunt nalezen in het voorwoord van mijn scriptie (de link vind je onderaan dit blogbericht) – langs mijn opleidingen (Initiatie + Graduaat Bibliotheekwezen, Informatie en Media, Culturele Informatiewetenschap) en mijn werkgevers (Zuyd Hogeschool, Avans Hogeschool, De Haagse Hogeschool) en heeft me dus uiteindelijk tot het onderwerp van mijn masterscriptie gebracht: Studenten en hun ‘Personal Information Management’.

De genodigden van mijn masterparty bestonden uit medestudenten en docenten van de opleidingen en collega’s van de werkgevers uit deze route. Dat was natuurlijk niet eenvoudig daar die route daadwerkelijk 289 kilometers beslaat en het om een doordeweekse werkdag ging. Het was dan ook geweldig dat mijn scriptiebegeleidster van Genk (Graduaat Bibliotheekwezen) helemaal uit België was gekomen om mijn feestje bij te wonen! En het was sowieso een zeer geslaagde party waarvan je hier enkele foto’s kunt bekijken (samen met de foto’s van de diploma-uitreiking anderhalve week eerder). Heerlijke Limburgse vlaai (die mocht niet ontbreken), een hapje & drankje en natuurlijk het super gezelschap hebben geleid tot een zeer gezellige middag! En achteraf zijn we met enkelen nog gaan tafelen bij het Indonesich restaurant Istana (de rijsttafel met vlees was heerlijk) waarbij de gesprekstof varieerde van Glee en Jeroen zijn schoenen tot het (on)nut van supportcalls bij het implementatieproces van databases in een discoverytool en het toverwoord Open Access (tja, informatie professionals onder elkaar hé).

Hieronder vind je de presentatie die ik tijdens mijn masterparty heb gegeven:

Even resumeren: Personal Information Management, kortweg PIM, heeft betrekking op zowel de dagelijkse praktijk van als het onderzoek naar activiteiten die worden uitgevoerd om informatie te vinden, te verwerven, te creëren, op te slaan, te ordenen, te beheren, te gebruiken en te verspreiden. Deze informatie is nodig om taken (studie-/werkgerelateerd of niet) te voltooien en om rollen en verantwoordelijkheden (bijvoorbeeld als ouder, student, werknemer, vriend of lid van de gemeenschap) te vervullen.

In mijn masterscriptie ga ik dieper in op het begrip PIM. Allereerst heb ik gekeken naar de stand van zaken in de literatuur. Daarbij zijn de kernbegrippen en de onderzoeken naar PIM die al gepubliceerd zijn uitgebreid in kaart gebracht. Vervolgens worden de resultaten beschreven van een vragenlijst. Deze is ingevuld door 324 studenten van de Haagse Hogeschool waarbij de volgende onderzoeksvraag centraal stond: “Welke tools en strategieën hanteren studenten voor het bewaren, beheren en organiseren van hun studiegerelateerde informatie?

Uit de resultaten blijkt dat studenten nog veelal kiezen voor de traditionele tools en strategieën. Het lokaal opslaan van informatie wordt gebruikt als opslagmethode. Voor het organiseren en terugvinden van informatie wordt de hiërarchische aanpak gehanteerd. Studenten maken weinig gebruik van PIM tools zoals bibliografische software. Clouddiensten worden alleen ingezet bij het delen van informatie met anderen. De uitdaging die fragmentatie van informatie met zich meebrengt, zorgt voor weinig problemen bij de studenten. Toch is aandacht voor PIM in het onderwijs gewenst.

Mijn onderzoek betreft een eerste inventarisatie van studenten en hun PIM waarbij naar verschillende aspecten is gekeken. Voor vervolgonderzoek geef ik de aanbeveling om te kijken naar de plaats van PIM in het curriculum en in de lessen informatievaardigheden.

Mijn scriptie kun je downloaden via http://bit.ly/masterscriptieleen en is ook te vinden via UVA Scipties Online.

Advertenties


3 reacties

Heb jij talent voor informatiespecialist?

Waarom moeten jonge mensen kiezen voor het beroep informatiespecialist? Een essentiële vraag voor de IDM opleidingen in het land. En om deze vraag te beantwoorden hebben ze samen met het werkveld hun krachten gebundeld.  De site informatiespecialist.nu is al eerder in de ether gekomen, Edwin Mijnsbergen en Irma van Zanten – van Houts hebben er al over geblogd. Maar afgelopen week is de wervingscampagne die bij de site hoort van start gegaan.

Het belang van goede informatiespecialisten

De wereld staat bol van kennis en informatie. Maar het is een chaos. Bedrijven en organisaties zoeken naar manieren om die informatie te inventariseren en toegankelijk te maken. Orde scheppen in die chaos van documenten is een vak op zich. Goede ordeningen bedenk je namelijk niet zomaar even, je moet je hiervoor kunnen inleven in de gebruiker van de informatie. De opleiding tot informatiespecialist zorgt dat je daar handig in wordt. Je wordt specialist in het vindbaar en toegankelijk maken van informatie!Informatiespecialist.nu geeft een beeld van het vak informatiespecialist op MBO, HBO en WO niveau. Daarnaast geeft het inzicht in de diverse opleidingen tot informatiespecialist.


De website is een product van de Taskforce ArbeidsCommunicatie InformatieSpecialisten (TACIS), een op vrijwillige basis opererend platform van informatiespecialisten uit het werkveld en docenten aan de opleidingen tot informatiespecialist. Informatiespecialist.nu vormt een eerste stadium van de wervingscampagne van TACIS voor aankomende informatiespecialisten. Het tweede stadium bestond uit de verzending van een mailing naar alle scholen voor Voortgezet Onderwijs wat dus afgelopen week is gebeurd. Stadium 3 is toewerken naar een aandachttrekkende actie, waarin het belang van informatie centraal staat.

Imagocampagne: Hoe moet het wel!

Alhoewel wij allemaal vol passie en met plezier het vak uitoefenen, is het niet eenvoudig om jonge mensen ervan te overtuigen om voor dit vak te kiezen en een campagne op te zetten. Maar in plaats van kritiek te spuien, kunnen we beter onze krachten bundelen.

Dus of je nu bibliothecaris bent of archivaris, informatie-adviseur of documentalist: gil het van de daken dat je een kicken baan hebt.

Ik draag alvast graag mijn steentje (tevens via Opgemerkt en YouTube) bij! Je kunt er ook voor kiezen om TACIS te sponsoren. En oja wil je weten of jij bent weggelegd voor het vak, doe dan de test

 


1 reactie

Caution: ‘plagiaat’ in progress!

De laatste tijd heeft auteursrechten mijn aandacht gekregen. Sinds eind vorig jaar maak ik deel uit van de SURF club Auteursrechten Informatiepunten HBO. Hoe we dat ‘informatiepunt’ concreet gaan inrichten op De Haagse Hogeschool moet ik de komende maanden nog gaan uitwerken, maar de eerste wapenfeiten hebben al plaats gevonden. Zo heb ik in december samen met een collega de volgende presentatie over plagiaat gegeven aan een groep docenten.

Voor de presentatie heb ik gebruik gemaakt van het rapport: ‘Geoorloofd hergebruik; De juridische aspecten van plagiaat in het hoger onderwijs en Leefregels voor geoorloofd hergebruik van materiaal’ van SURF en het filmpje ‘Wanneer pleeg ik plagiaat‘ van de Open Universiteit.

Begin januari heb ik om mijn kennis over auteursrechten op te frissen de cursus ‘Auteursrecht voor onderwijsmediatheken en wetenschappelijke bibliotheken‘ van de GO opleidingen gevolgd.

En niet veel later kwam ik een berichtje tegen op ScienceGuide over de top 10 plagiaatplekken.

Soms gebruiken studenten ongeoorloofd het werk van anderen als zij iets publiceren. Welke bronnen gebruiken ze daarvoor het meest? iParadigms, marktleider in de markt van anti-plagiaat software, keek tussen juni 2010 en juni 2011 naar 33,5 miljoen papers en geeft antwoord op deze vraag.

De analyse van de papers toont aan dat Wikipedia de nummer 1 bron is waarmee universitaire studenten plagiaat plegen. 10,74% van alle gevallen van plagiaat kan worden toegeschreven aan deze open source encyclopedie site.

Top 10 plagiaatbronnen

  1. Wikipedia: 10,74%
  2. Yahoo! Answers: 3,90%
  3. SlideShare: 3,87%
  4. Answers.com: 3,57%
  5. Oppapers.com: 3,11%
  6. Coursehero: 3,01%
  7. Scribd: 2,95%
  8. Justanswer.com: 1,60%
  9. eNotes: 1,58%
  10. Amazon: 1,21%

Wanneer de bronnen worden verdeeld in categorieën blijken echter sociale netwerken en content-sharing sites als Facebook, MySpaces, Scribd en Slideshare de meest gebruikte categorie van bronnen te zijn bij plagiaatgevallen.

Tenslotte bevat het rapport 3 stappen die docenten kunnen doorlopen om plagiaat te voorkomen bij hun studenten:

  1. Maak opdrachten plagiaat-proof door een onderwerp te kiezen dat een geïndividualiseerde aanpak vereist en betrekking heeft op persoonlijke ervaring of actuele gebeurtenissen. Plagiaat plegen is daarnaast moeilijker wanneer studenten verplicht zijn om hun werk in verschillende stadia van het schrijfproces in te dienen: concepten, herziende versies en reflecties.
  2. Geef studenten instructies over de regels rond plagiaat en hoe ze werk van anderen geoorloofd kunnen gebruiken door middel van citeren.
  3. Controleer op een formele manier en geef studenten inzicht in de beoordeling van hun werk.

Dit berichtje heeft ook een plek gekregen op onze bibliotheekwebsite. En komende week gaat de club Auteursrechten Informatiepunten HBO weer de koppen bijeensteken bij SURF. Wordt dus vervolgd…


3 reacties

Het moet wel ergens over gaan

Op 10 november nam prof. dr. John Mackenzie Owen afscheid van de Universiteit van Amsterdam.

Wat doen studenten nu eigenlijk in de bibliotheek?

Peter Becker en ik hadden de eer om in het aan het afscheidscollege voorafgaand symposium ‘Wat doen die boeken in de bibliotheek’ een presentatie te geven waarin we verteld hebben over ons in het voorjaar uitgevoerde onderzoek. In mijn vorige blogposts hierover lees je meer over dit onderzoek:

Hieronder onze presentatie:

Wat doen studenten nu eigenlijk in de bibliotheek? on Prezi

In het decembernummer van de InformatieProfessional zal een samenvatting van ons rapport te lezen zijn met een link naar de URL waar je het hele rapport kunt downloaden.

Na onze presentatie volgden nog 2 andere presentaties en een panel.

Wat hebben we nu nog aan trefwoorden?

Allereerst gaf Henk Voorbij een antwoord op de vraag ‘Wat hebben we nu nog aan trefwoorden?’ Voorbij stelt vast dat het gebruik van trefwoorden zeer laag is en kijkt daarbij naar een aantal p’s:

  • Hebben we trefwoorden wel nodig –> p van product
  • Zijn we in het bezit van de vaardigheden die we nodig hebben bij het zoeken met trefwoorden –> p van promotie
  • Hoe wordt het zoeken met trefwoorden gepresenteerd in de systemen –> p van prijs

En dat laatste is nou net 1 van de problemen:

  1. Het zoeken met trefwoorden wordt in de meeste systemen niet goed geprofileerd. Een uitzondering hierop is de Aquabrowser waarbij je links een trefwoordencloud hebt met daarbij thesaurustermen in opgenomen en je aan de rechterkant je zoekresultaten kunt verfijnen a.h.v trefwoorden.
  2. Meestal worden er te globale trefwoorden gebruikt waardoor het probleem ruis dat door trefwoorden juist moet worden opgelost niet wordt voorkomen.
  3. Trefwoorden hebben dus niet genoeg meerwaarde voor de gebruiker van zoeksystemen.

Wat doen die archieven bij informatiewetenschap?

Theo Thomassen schetste de geschiedenis van de opleiding archiefwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. En ging daarbij vooral in op de samenwerking met de opleiding Culturele Informatiewetenschap en de organisatorische rompslomp die herpositioneringen met zich mee namen.

Archiefwetenschap is een autonoom onderdeel geworden van de informatiewetenschappen en had deze herpositionering nodig omdat het geen relatie meer kende met geschiedkunde (waar het voorheen onder viel) maar dichter naar de informatiedisciplines was toegegroeid. Het was nodig om onderwijs en onderzoek samen te gaan ontwikkelen met de Culturele Informatiewetenschap om zo een community van onderzoekers te creëren. De positie van Archiefwetenschap en Culturele Informatiewetenschap onder de Geesteswetenschappen is duidelijk: archiefwetenschap en informatiewetenschap gaat niet alleen over informatie maar vooral ook over mensen.

John Mackenzie Owen heeft een groot aandeel gehad in deze processen door de opleidingen vanbinnen uit te ontwikkelen en te reageren op van buiten uit aangedreven herpositioneringen.

Hoe organiseren we de wetenschappelijke informatievoorziening en zijn universiteitsbibliothecarissen nu ijsboeren of kalkoenen?

In het panel zaten volgende deelnemers:

  • Leo Plugge (SURF)
    Plugge gaf aan dat de vraag die we ons moeten stellen is ‘Hoe organiseren we de wetenschappelijke informatievoorziening?’ en refereerde naar uitspraken die SURF heeft gedaan in 1991 (WTR trendrapport) en 1995 (De grensverleggende bibliotheek) waarbij werd aangegeven dat UB’s en HBO bibliotheken niet mochten achterlopen op de ontwikkelingen, ze hun toegevoegde waarde moesten duidelijk maken, anders zouden ze de boekmusea van de 21ste eeuw worden en dat er één Virtuele Wetenschappelijke Bibliotheek moest komen (hé waar hebben we dat meer gehoord 😉 ?). Anno 2011 hebben we DANS, NARCIS, de HBO Kennisbanken mooie bibliotheekgebouwen maar nog steeds geen nationale virtuele bibliotheek maar wel 14 verschillende UB portalen (die allemaal een doorgeefluik vormen naar dezelfde informatieportalen van uitgevers). Dus is het volgende een voorspelling of al uitgekomen?:

    The academic library has died. Despite early diagnosis, audacious denial in the face of its increasingly severe symptoms led to its deterioration and demise. The academic library died alone, largely neglected and forgotten by a world that once revered it as the heart of the university.
    (Academic Library Autopsy Report, 2050 door Brian T. Sullivan)

  • Nol Verhagen (UBA)
    Verhagen refereert naar het artikel ‘Bijna uitgeleend‘ van NRC waarbij universiteitsbibliotheken worden vergeleken met ijsboeren. Het gaat erom of we paradigmaverschuivingen overleven: van handschrift naar boek, van unicum naar massaproduct, van analoog naar digitaal, van afnemen naar producent en van boekentoren naar learning centre. Maar Verhagen zegt dat we echt niet hebben lopen slapen, bewijzen volgende ontwikkelingen: van kaartcatalogus naar OPAC, van print-only naar e-only, van small deal naar big deal, van stand alone naar consortium en van NCC naar Worldcat.
  • Kurt de Belder (UB Leiden)
    Ook Kurt de Belder refereerde naar hetzelfde artikel uit NRC maar vroeg zich niet af of we ijsboeren zijn maar: ‘ Zijn we de kalkoen of hebben we een plek aan de tafel tijdens het kerstdiner’. Hij geeft voorbeelden waarom het laatste het geval is: de UB statistieken geven aan:  drukker dan ooit – langer open dan ooit – hogere uitleencijfers – meer zoekacties in de catalogus –  meer zoekacties in databases – meer downloads artikelen, profilering van de wetenschappelijke informatievoorzieningen: Virtual Learning Environments – omvorming van de archieffunctie van de universiteit, profilering als partner in onderzoek: gecertificeerde informatie / informatie op maat – Virtual Research Environments – datalabs – systemen in de cloud – auteursrechteninformatiepunt – impact analyses & advies – informatie voor visitaties – ondersteuning e-research via data curation en text & datering, en profilering als partner in onderwijs: digitale en fysieke faciliteiten – gecertificeerde informatie – virtuele informatiebalies – repositories – digitale informatievaardigheden cursussen.
  • Hans van Velzen (OBA)
    Ook bij de Openbare Bibliotheek van Amsterdam zijn veel studenten te vinden. Van Velzen constateert dat er veranderingen plaats vinden in aanbod / zoeken / gebruik, namelijk van doelgericht naar ongericht. De gewenste wachttijd is maar 10 seconden. Hij benoemt volgende nieuwe functies voor de openbare bibliotheek: studiehuis (werkplekken, vooral in de vakanties), gids in medialand (23 dingen, digitale maand), ontmoetingsplek (bibliotheek is meest bezochte culturele voorziening), integratie en participatie (bibliotheek draagt bij aan culturele participatie en wordt bezocht door alle culturen, dus goed voor de integratie). Het boek is nog steeds belangrijk, maar niet meer uitsluitend. Een hybride bibliotheek is de oplossing.

Alhoewel Nol Verhagen en Kurt de Belder mooie voorbeelden gaven over het beleid en de voorzieningen van de universiteitsbibliotheek vond ik de boodschap van Leo Plugge een krachtige. Er is dan wel een consortium maar mijn onderbuikgevoel zegt dat we nog meer uit samenwerking kunnen halen. Ondanks dat een onderbuikgevoel meestal niet op feiten is gebaseerd (sorry John) ben ik bevooroordeeld door ons onderzoek waarin ik persoonlijk neig naar visie 1 (maar ook dat is waarschijnlijk gebaseerd op een onderbuikgevoel om de cirkel maar rond te maken).

Tenslotte enkele reacties van publiek/panel:

  • Uiteindelijk maakt het niet uit of de studenten weten dat al deze mooie voorzieningen/faciliteiten/dienstverlening door de bibliotheek worden aangeboden.
  • De gebruikerscijfers zeggen genoeg en worden steeds belangrijker in de besluitvorming.
  • We gaan teveel uit van de klassieke bibliotheek.
  • We (de universiteitsbibliotheken) zijn en onderdeel van een instelling en we moeten gezamenlijk met deze instelling beleid voeren gericht op het ondersteunen van onderwijs en onderzoek.

Afscheidscollege John Mackenzie Owen: het moet wel ergens over gaan!

In de namiddag was het dan zover. John Mackenzie Owen begon zijn afscheidscollege met het afleggen van zijn toga. Hij behandelde daarna 3 onderwerpen: (1) de invloed van technologie op onze maatschappij en de informatievoorziening, (2) de geesteswetenschap en (3) wat informatiewetenschap te bieden heeft.

In juni 1983 voorspelde Mackenzie Owen het technologisch einde van de bibliotheek. Hij claimt dan nu ook – gebaseerd op zijn bevinden toen en wat we nu weten – het intellectuele eigendom van de iPad (Way to Go John!). Maar hij kon toentertijd niet bevroeden hoe groot de impact zou zijn van de technologische ontwikkelingen specifiek op het gebied van verbindingen (het wereldwijde web). De doorslaggevende ontwikkeling was dan ook de verandering die in het gedrag van de gebruikers heeft plaats gevonden. De vanzelfsprekendheid waarmee gebruikers omgaan met de technologische ontwikkelen en de vaardigheid waarmee ze deze technologische ontwikkelingen hanteren zijn verbluffend!

IS er sprake van technologisch determinisme? Technologie krijgt antropologische vormen… maar de waarheid ligt altijd in het midden: technologie is geen tovenaarsleerling en geen actor of agent… maar wel een verleider: het is moeilijk de mogelijkheden van de technologie te weerstaan en we nemen het over zoals het ons wordt aangeboden (door diegene die er geld mee verdienen). Anderzijds oefent de samenleving wel degelijk invloed op de technologische ontwikkelingen.

Mackenzie Owen vindt dat hij gelijk heeft gekregen met zijn voorspelling in 1983: de wetenschappelijke bibliotheken van toen bestaan niet meer. We hebben maar weinig waarde weten toe te voegen als je ons vergelijkt met wetenschappelijke uitgevers. Oorspronkelijke functies zoals ontsluiten en bewaren hebben plaats gemaakt voor licentiebeheer en authenticatie.

Maar… welke uitspraken mag je nou doen als wetenschapper? De basiseigenschap voor wetenschap is volgens John dat het wel ergens moet over gaan. “Het weten” (vermeerderen van de kennis van de wereld) gaat altijd aan “het begrijpen” (vermeerderen van het begrip van de wereld) vooraf. Wetenschap is geen literatuur, dus zeggen wat je er van vindt (zoals in de literatuur gebeurt) is geen taak van de wetenschap. Bij geesteswetenschap gaat het om producten van de geest en om de wereld zoals ie is, daarom moet geesteswetenschap altijd empirisch (gebaseerd op feiten en data) zijn. Mackenzie Owen houdt dus een pleidooi voor: met de beide voeten op de grond, minder onderzoeker meer onderzoek en dat de geesteswetenschap een bijdrage moet leveren aan maatschappelijke problemen.

Mackenzie Owen noemt de sluiting van het Tropenmuseum in een tijd van oplevend nationalisme meer dan symbolisch omdat het museum juist informatie bevat over de periodes dat Nederlanders allochtonen waren in verre werelddelen. Hij pleit er dan ook voor om informatiesystemen meer aan onderzoek te onderwerpen en vooral de rol die informatiesystemen spelen: hoe er gebruik van wordt gemaakt en hoe informatie gemanipuleerd wordt. Hij besluit zijn afscheidscollege met 2 uitspraken, de eerste is van Thomas Jefferson: “…wherever the people are well informed they can be trusted with their own government…”

En zoals ik hem ken als echt docent geeft John nog 1 laatste advies: “There are no promises, but the world is waiting for you to go out and explore […] build, therefore, your own world” (Ralph Waldo Emerson) … “maar hou je wel aan de feiten” (John Mackenzie Owen)!

Míjn voorspelling (zie laatste zin van artikel uit IP 2011 nr. 9) is ook uitgekomen: het was een bescheiden provocerend afscheidscollege! Bedankt John voor al je inspiratie!


1 reactie

H/Onderwijsdag 2011 Leren door het zelf uit te leggen

Teaching & Learning. Dat thema stond centraal tijdens de H/Onderwijsdag van 3 november 2011. Mijn eerste onderwijsdag op De Haagse Hogeschool. Omdat ik ook nog wat moest werken heb ik de opening en afsluiting van de dag aan me voorbij laten gaan en alleen de lezingen en workshops gevolgd.

The do’s and don’ts of Teaching in Higher Education

Studiesucces is voor 30% toe te rekenen aan de docent en zijn pedagogische aanpak:

The key to improving student achievement lies in the person who gently closes the classroom door and performs the teaching act—the person who puts into place the end effects of so many policies, and who is alone with students during their 15,000 hours of schooling. (Hattie, 2003)

Er zijn veel factoren die een rol kunnen spelen: passie, kennis, jaren ervaring, feedback aan studenten, informeel contact met studenten, etc… maar de meest effectieve factor is…

FEEDBACK, niet die van docent naar student maar juist andersom… van student naar docent!


Waarom is de feedback van de student zo belangrijk?

  • Docenten leren door feedback te ontvangen van de studenten wat de diversiteit in kennis, de diversiteit in leerstijlen en de vooruitgang van het leren is bij hun studenten
  • Door studenten feedback te laten geven creëert de docent ruimte voor het co-construeren van de cursus en de leertrajecten door de studenten

Na ieder les kan je de studenten de volgende 3 vragen stellen:

  1. Welke boodschap uit deze les neem je zeker mee naar huis?
  2. Wat uit deze les was verwarrend?
  3. Van wat uit deze les wil je meer horen?

Cursussen zijn succesvol als ze

  1. begrijpelijk,
  2. hanteerbaar en
  3. zinvol

zijn.

The most important single factor influencing learning is what the learner already knows. Ascertain this and teach him accordingly. (David Ausibel, 1968, Educational psychology; a cognitive view)

De essentie van onderwijs in 1 afbeelding samengevat:

Afbeelding uit rapport ‘Naar een canon van opvoeding‘ p.3 – uitleg p.2

Het kind is aan het praten en de leraar luistert. De volwassene creëert context en situaties waarin het kind zichzelf kan uiten. De kikker staat symbool voor de impulsiviteit van de mens (driftkikker) en voor potentieel (een kikker legt veel eieren). Het touw waarmee het kind de kikker vasthoudt staat symbool voor  de controle die het kind krijgt over zijn impulsiviteit. Doordat de volwassene het kind de ruimte geeft zichzelf te uiten leert het kind zelfcontrole. Het kind leert door het zelf uit te leggen (en dus niet zoals bij het traditioneel lesgeven door te luisteren naar de leraar).

Some ‘Do’s of Teaching’:

  • Begin met het einde in gedachte…
  • Formuleer leerdoelen
  • Benadruk voortdurend het belang van kritisch denken
  • Slim is niet genoeg, wijsheid = het toepassen van van intelligentie en ervaring in de richting van het bereiken van een gemeenschappelijk goed

Bovenstaande presentatie werd gegeven door lector prof. dr. René Diekstra. Prof. dr. Jamil Salmi gaf daarop volgende opmerkingen:

  • Verschillende culturen hebben verschillende benaderingen: er zijn nog landen waar heel traditioneel les wordt gegeven (bijvoorbeeld prof. dr. Salmi zelf stond perplex toen hij ging studeren in Frankrijk en hoorde dat de dochter in het gezin waar hij verbleef op de basisschool mondelinge presentaties moest geven)
  • Afstemming is heel belangrijk in onderwijs, de directie moet het onderwijs met goed beleid faciliteren en zorgen voor een goede leeromgeving
  • De Haagse Hogeschool kent veel diversiteit in de studentenpopulatie, dat zorgt voor een grotere uitdaging maar zorgt tevens ook voor meer kansen om het leren rijker te maken
  • Aan studenten moet ook het model van de samenleving geleerd worden:
    • Goed voorbeeld hiervan: In Franklin W. Olin College of Engineering bestaat het programma uit 1/3de bouwkunde, 1/3de ondernemerschap en 1/3de waarden en normen: wat is de waarde van wat we maken voor de samenleving, is het wenselijk?
      In deze opleiding gebeurt daarbij alles in teams (collectief), ze moeten er samen iets bouwen zonder instructies vooraf zodat ze leren door het zelf uit te zoeken (zie uitleg bij de afbeelding essentie van het onderwijs hierboven)
    • Slecht voorbeeld hiervan: het ontwikkelen van de atoombom, ieder kind op de wereld zou volgens prof. dr. Salmi een bezoek moeten brengen aan het museum gewijd aan de aanval op Hiroshima om zo de negatieve gevolgen van wetenschap onder ogen te krijgen

Bronnen / verder lezen:

Laagdrempelige videopilots

De inzet van video in het onderwijs wordt steeds laagdrempeliger en dus makkelijker inzetbaar. Op De Haagse Hogeschool draaien op dit moment vier verschillende laagdrempelige videopilots in het onderwijs:

  1. Weblectures: dit project is nog in de opstartfase, er vindt een onderzoek plaats waarbij gekeken wordt of er middelen kunnen worden vrijgemaakt en materiaal kan worden aangekocht om het opnemen van weblectures te faciliteren
  2. Bij de Academie voor European Studies & Communication Management maakt een docent een samenvatting van de colleges Introduction Research Skills. De syllabus van dat vak bestaat uit 165 pagina’s tekst en de colleges bestaat telkens uit 90 minuten, om studenten te helpen maakt de docent een video waarbij hij de presentatie van het college samenvat in 20 minuten en de stof zo behapbaar maakt. Studenten zien de video’s niet als vervanging voor het college, ze willen wel gewoon colleges volgen en zo contact hebben met docent en medestudenten. De studenten geven via twitter positieve feedback op het videoproject. De meerwaarde van de video’s zijn:
    • de stof is herhaalbaar: opfrissing voor de student later in zijn schoolcarriére en herhaling is nodig voor het leerproces, zeker bij abstracte dingen zoals onderzoeksvaardigheden
    • studenten die het college hebben gemist kunnen het inhalen
    • studenten met taalproblemen worden geholpen
  3. Docente Ellen Wesselingh van de Academie voor ICT en Media legt de stof vast op video, niet na de colleges maar juist vooraf aan de colleges, zodat de studenten het college thuis kunnen voorbereiden. Daardoor is verdieping tijdens het eigenlijke college mogelijk. Ellen geeft aan dat dat haar veel werk kost. Ze moet eerst het script uitwerken (dit script plaatst ze samen met de video in Blackboard, de studenten die toch graag via tekst de stof doornemen kunnen dit dan gebruiken in plaats van of als aanvulling op de video), daarna opnemen en ten slotte editten. Maar het werpt vruchten af, de toets wordt beter gemaakt. Ze krijgt 3 soorten reacties van de studenten op het videoproject:
    • Ik vind de videocolleges maar niks
    • Ik vind de videocolleges wel goed, maar mis toch de directe feedbackmogelijkheden die je wel hebt bij een gewoon college
    • Ik vind de videocolleges helemaal super
  4. Martijn van de Wiel geeft tijdens de colleges productvisualisatie tekenles waarbij studenten leren hun ideeën op papier te krijgen. Zijn colleges bestaan normaal uit 3 delen: theorie, voordoen met instructies,  en zelf aan de slag. Dat voordoen met instructies kost hem veel tijd omdat hij dan zelf gaat tekenen en terwijl moet uitleggen wat hij doet. Daarbij geeft hij soms les aan grote groepen en die moeten dan allemaal om hen heen komen staan. Hij heeft daarom zelf een videoconstructie gebouwd waarbij er een webcam boven zijn tekentafel hangt en hij zo wat hij doet kan opnemen met de software Premiere. Hij gaf een live demo tijdens de H/Onderwijsdag. Het voordeel ervan is dat hij eerst alles kan tekenen en daarna via een voice over de instructies opneemt. Hierdoor kan hij zelf eerst zich concentreren op het tekenen, dit geeft tijdwinst. Iets wat hem in het college normaal 40 minuten kost, krijgt hij nu voor mekaar in minder dan de helft van de tijd (video van ongeveer 17 minuten). Daarbij kan de student zo de instructies krijgen op het moment dat hij het echt nodig heeft, namelijk wanneer hij zelf thuis aan de slag gaat met huiswerk. Er kwamen twee vragen tijdens de live demo:
    • Waarom gebruik je geen bestaande filmpjes die al in grote getale aanwezig zijn op YouTube? Antwoord: er staan zeer goede en ook bruikbare filmpjes op YouTube maar het is altijd net niet zoals ik het wil uitleggen (iedere school/docent gebruikt zijn eigen technieken en heeft zijn eigen voorkeuren)
    • Waarom gebruik je geen tekentablet voor je videoinstructies? Omdat je dan niet de pen/het potlood ziet in de video en studenten hebben het nodig om te zien hoe die moet worden vastgehouden

Op het einde van de workshop werden nog enkele voorbeelden van laagdrempelige online screencastsoftware getoond waarmee je zelf snel en makkelijk aan de slag kunt: screenr, screencastle en screencast-o-matic (van deze laatste kregen we nog een live demo).

Meer lezen over deze pilots kun je op de projectsite van e-merge, de partner van De Haagse Hogeschool bij deze videopilots. In onderstaand filmpje geeft Karin van Bakel (projectleider) een kort overzicht van het project:

Het nieuwe werken: wat kan dat betekenen voor de HHs?

Naar aanleiding van de minor Werken 2.0 en het boek Het Nieuwe Werken volgens Generatie Y waarover ik uitgebreid heb mogen bloggen op 2beJAMmed.org heeft Peter Becker een workshop gegeven over het nieuwe werken op de H/Onderwijsdag.

Het nieuwe werken sluit beter aan bij:

  • Kenniseconomie
  • Innovatie
  • Gen Y (en zij zijn op dit moment gewild omdat er veel uitstroom is van mensen die op pensioen gaan)
  • Globalisering

Van landbouw naar industrie naar diensten. Bij ieder stadium hoort een bepaald gedachtegoed. Bij de industrie: ‘zo efficiënt mogelijk, iedereen is vervangbaar’. De kantoren (dienstensector) zijn toen ze gebouwd werden zo ingericht als fabrieken (iedereen zijn eigen hokje) … en dat werkt nu niet meer omdat het gedachtegoed aan het veranderen is (zie opsomming hierboven).

Meer lezen over kenniswerkers:

  • Drucker, P. F., & Nobel, J. (2003). Managementvisies: Het bedrijfsleven in 2020 en wat u daarvan nú moet weten. Amsterdam [etc.: Business Contact.
  • Choo, C. W. (2005). The knowing organization: How organizations use information to construct meaning, create knowledge, and make decisions. New York: Oxford University Press.
  • The knowledge spiral uit Nonaka, I., & Takeuchi, H. (1999). De kenniscreërende onderneming: Hoe Japanse bedrijven innovatieprocessen in gang zetten. Schiedam: Scriptum.

Wat kenniswerkers doen:

Afbeelding afkomstig van The Graph Blog

Dat kan natuurlijk beter! Het nieuwe werken is slimmer werken met meer motivatie en betrokkenheid.

De 4 aspecten van het nieuwe werken:

  1. Technologie: via de cloud
  2. Ruimte: inrichten op functionaliteit (ruimtes om te bellen, ruimtes om te vergaderen, ruimte om in stilte te werken, ruimte om elkaar te ontmoeten en dus niet 1 kamertje voor alles)
  3. Proces: horizontaal ipv verticaal, ruimte voor eigen verantwoordelijkheid
  4. Management: geen managers, maar leiders die situationeel leiding geven
    Afbeelding afkomstig van Improvement
    Traditioneel geven we leiding via de route S1, S2, S3, S4 maar binnen het nieuwe werken gaat het via de omgekeerde weg: je gaat ervan uit dat je nieuwe medewerker de kennis en kunde heeft om iets zelfstandig uit te voeren dus als leidinggevende delegeer je vanaf het eerste moment maar je richt de organisatie zo in dat de medewerker indien nodig met andere kan overleggen of naar jou toe kan komen bij problemen en instructie kan volgen als dat van toepassing is. Meer lezen over deze manier van leiding geven: Hepkema, W. (2007). Stoppen met leidinggeven: Naar autonome en authentieke arbeidsrelaties. Soest: Nelissen.

Soms wordt er ook wel gesproken over bricks, bytes & behavior. Het is nodig om een balans te vinden tussen deze aspecten.

Na deze uitleg mochten we reageren op stellingen. Is HHs klaar voor het nieuwe werken? Leent hoger onderwijs zich wel voor het nieuwe werken? Krijgen we de ruimte van onze bazen om het nieuwe werken toe te passen? De groep reageerde positief op het nieuwe werken en zegt dat ze er wel ruimte voor krijgt. Maar er kwamen ook kritische geluiden: de infrastructuur is nog niet goed ingericht om het nieuwe werken toe te passen (alhoewel de ICT dienst wel bezig is om dingen via de cloud te gaan regelen is het nu alleen maar via omwegen mogelijk om software als Dropbox te gebruiken omdat het installeren ervan niet mogelijk is) en als wij als docenten het nieuwe werken gaan toepassen zijn de studenten dan ook al klaar voor het nieuwe leren?