2.0 Drops

Floating in the 2.0 world ~ connected by the web


Een reactie plaatsen

Personal Information / Knowledge Management

In mijn scriptie ‘Studenten en hun Personal Information Management’ ben ik naast het eigenlijke onderzoek natuurlijk ook dieper ingegaan op het begrip Personal Information Management (PIM) waarbij ik heb gekeken naar de literatuur en een aantal kernbegrippen.

De complexiteit van PIM heeft deels te maken met de complexiteit van informatie. Het kan gaan om het managen van informatie in ons eigen geheugen als ook het managen van externe informatie. Daarbij heeft PIM betrekking op de persoonlijke dimensie van het managen van informatie. PIM is in dit licht gerelateerd aan andere begrippen die betrekking hebben op het zowel persoonlijk als collaboratief managen van informatie in al zijn facetten. Begrippen als Information Management, Document Management, Knowledge Management en Information Retrieval. Ik wil in deze blogpost uitweiden over (Personal) Knowledge Management.

Kennismanagement is het proces van het identificeren en het gebruik van collectieve kennis in een organisatie om zo het concurrentievermogen van de organisatie te verbeteren. (Alavi & Leidner, 2001) Het gaat hier dus om kennis binnen een organisatie. Bij Personal Knowledge Management (PKM) wordt dit teruggebracht naar het individuele niveau. Het verschil met PIM ligt in het verschil tussen informatie en kennis. PKM is een conceptueel kader voor het organiseren en integreren van informatie waarvan we als individu denken dat het relevant is. (Liu, 2011) De informatie gaat zo deel uitmaken van onze persoonlijke kennis. PKM biedt een strategie voor het transformeren van wat eerst willekeurige stukjes informatie zijn tot iets dat we systematisch kunnen toepassen en dat onze persoonlijke kennis uitbreidt. En juist hierin zit het belang van PKM voor studenten. (Garner, 2010) Zij moeten zich bewust bezig houden met het bewaren, beheren en organiseren van hun persoonlijke informatie en expliciete kennis. PKM activiteiten sluiten dus aan bij PIM activiteiten met het enige verschil dat PKM een meer conceptueel begrip is dat ingebed kan worden in leertheorieën en onderwijskaders.

William Jones, de auteur van het boek Keeping Found Things Found, geeft de volgende uitleg over de verwantschap tussen PKM en PIM: een belangrijke uitdaging van PKM is het expliciteren van kennis van een persoon en om kennis te expliciteren wordt het meestal opgeschreven. Opgeschreven kennis is informatie en moet worden beheerd zoals alle informatie. Hij legt deze verwantschap aan de hand van definities verder uit in het hoofdstuk No Knowledge but through Information (van het boek Personal Knowledge Management – Individual, Organizational and Social Perspectives – Editors: David J. Pauleen & G.E. Gorman).

De volgende drie zaken worden beargumenteerd in dat hoofdstuk:

  1. Informatie is ‘een ding’ en kennis niet. ‘Information as thing’ (Buckland, 1991) kan worden ervaren en er kan naar worden verwezen. Informatie kan een bepaalde vorm hebben: documenten of e-mailberichten die kunnen worden gewijzigd, opgeslagen, ontvangen, verzonden, verwijderd of anderszins gemanipuleerd. ‘Knowledge as no thing’ (Zins, 2007) kan niet rechtstreeks worden ervaren. Kennis kan niet worden onderzocht. Kennis is ingebed, verdeeld. Kennis is verborgen. Kennis wordt afgeleid van waarneembaar gedrag (informatie) maar kan zelf niet direct worden weergegeven. Alle pogingen om kennis in een bepaalde vorm te gieten, geeft ons informatie in een of andere vorm.
  2. Er vindt dan ook geen beheer van kennis plaats, behalve door middel van het beheer van informatie. Als kennis verborgen is en alleen wordt ervaren door afleiding, dan moet het managen van kennis grotendeels gaan over het managen van de informatie die er eerst aan moet worden onttrokken. Daarnaast omvat kennismanagement ook de inspanningen die nodig zijn om in de andere richting te bewegen: van informatie naar kennis. Bijvoorbeeld, een organisatie die ‘best practices’ ontwikkelt. Kennismanagement omvat diverse vormen van gebruik van informatie gericht op het bewerkstelligen van een verandering in de houding en het gedrag van mensen binnen de organisatie. ‘Best practices’ worden dan ook uitgedrukt in enerzijds formele documenten maar ook in affiches, aankondigingen via e-mail of een film die medewerkers bekijken en in groep bespreken.
  3. PIM is een groot domein. Hoe kan iemand gebruik maken van informatie om zijn levensdoelen te bereiken, een levensrol te vervullen en te voldoen aan de uitdagingen van het leven? Hoe kunnen we deze zaken – met betere tools, technieken, training, beleid, procedures, strategieën, organisatorische regelingen, etc – beter aanpakken? PKM, als een subset van PIM, zorgt daarbij voor extra focus. Wat weten we? Weten we wat we denken te weten? Onderschatten of overschatten we onszelf? Wat zouden we moeten leren? Hoe moeten we leren zodat de kennis die we nodig hebben wordt geïntegreerd in ons dagelijks leven? Tegelijkertijd biedt PIM als subset van PKM extra aarding. Al onze PKM prestaties worden noodzakelijkerwijs bereikt door het gebruik van informatie.

PKM is een verfijnde vorm van carrière en levensmanagement dat je kan helpen in het overleven in turbulente, complexe en veranderende organisatorische en sociale omgevingen. Het is daarmee een begrip dat samenhangt met levenslang leren, communicatie en interpersoonlijke vaardigheden, gebruik van technologie en het voorspellen en anticiperen op zaken. Onderdeel van cruciale levenservaringen dus.

Advertenties


3 reacties

Studenten en hun ‘Personal Information Management’

2,5 maand geleden vertelde ik jullie dat ik mijn scriptie had ingeleverd en dat het wachten was op het verdict. Dat verdict is gevallen: 7,5/10 en het feit dat dat verdict mij de titel Master of Arts heeft opgeleverd is ook al uitgebreid gevierd: 2 weken geleden was mijn diploma-uitreiking en eergisteren heb ik mijn masterparty gehouden.

Tijdens deze party, die plaats vond in de Haagse Hogeschool – mijn werkplek en tevens de plek waar ik het onderzoek voor mijn scriptie heb uitgevoerd, heb ik een presentatie gehouden over mijn scriptie. In de inleiding daarvan gaf ik aan dat mijn scriptie niet alleen de afsluiting vormt van mijn masteropleiding Culturele Informatiewetenschap aan de Universiteit van Amsterdam, maar dat het ook het slot is van een onderwijstraject dat in 2002 begon in het Belgische Genk. Dat traject is uiteindelijk een logische route gebleken – die je stap voor stap kunt nalezen in het voorwoord van mijn scriptie (de link vind je onderaan dit blogbericht) – langs mijn opleidingen (Initiatie + Graduaat Bibliotheekwezen, Informatie en Media, Culturele Informatiewetenschap) en mijn werkgevers (Zuyd Hogeschool, Avans Hogeschool, De Haagse Hogeschool) en heeft me dus uiteindelijk tot het onderwerp van mijn masterscriptie gebracht: Studenten en hun ‘Personal Information Management’.

De genodigden van mijn masterparty bestonden uit medestudenten en docenten van de opleidingen en collega’s van de werkgevers uit deze route. Dat was natuurlijk niet eenvoudig daar die route daadwerkelijk 289 kilometers beslaat en het om een doordeweekse werkdag ging. Het was dan ook geweldig dat mijn scriptiebegeleidster van Genk (Graduaat Bibliotheekwezen) helemaal uit België was gekomen om mijn feestje bij te wonen! En het was sowieso een zeer geslaagde party waarvan je hier enkele foto’s kunt bekijken (samen met de foto’s van de diploma-uitreiking anderhalve week eerder). Heerlijke Limburgse vlaai (die mocht niet ontbreken), een hapje & drankje en natuurlijk het super gezelschap hebben geleid tot een zeer gezellige middag! En achteraf zijn we met enkelen nog gaan tafelen bij het Indonesich restaurant Istana (de rijsttafel met vlees was heerlijk) waarbij de gesprekstof varieerde van Glee en Jeroen zijn schoenen tot het (on)nut van supportcalls bij het implementatieproces van databases in een discoverytool en het toverwoord Open Access (tja, informatie professionals onder elkaar hé).

Hieronder vind je de presentatie die ik tijdens mijn masterparty heb gegeven:

Even resumeren: Personal Information Management, kortweg PIM, heeft betrekking op zowel de dagelijkse praktijk van als het onderzoek naar activiteiten die worden uitgevoerd om informatie te vinden, te verwerven, te creëren, op te slaan, te ordenen, te beheren, te gebruiken en te verspreiden. Deze informatie is nodig om taken (studie-/werkgerelateerd of niet) te voltooien en om rollen en verantwoordelijkheden (bijvoorbeeld als ouder, student, werknemer, vriend of lid van de gemeenschap) te vervullen.

In mijn masterscriptie ga ik dieper in op het begrip PIM. Allereerst heb ik gekeken naar de stand van zaken in de literatuur. Daarbij zijn de kernbegrippen en de onderzoeken naar PIM die al gepubliceerd zijn uitgebreid in kaart gebracht. Vervolgens worden de resultaten beschreven van een vragenlijst. Deze is ingevuld door 324 studenten van de Haagse Hogeschool waarbij de volgende onderzoeksvraag centraal stond: “Welke tools en strategieën hanteren studenten voor het bewaren, beheren en organiseren van hun studiegerelateerde informatie?

Uit de resultaten blijkt dat studenten nog veelal kiezen voor de traditionele tools en strategieën. Het lokaal opslaan van informatie wordt gebruikt als opslagmethode. Voor het organiseren en terugvinden van informatie wordt de hiërarchische aanpak gehanteerd. Studenten maken weinig gebruik van PIM tools zoals bibliografische software. Clouddiensten worden alleen ingezet bij het delen van informatie met anderen. De uitdaging die fragmentatie van informatie met zich meebrengt, zorgt voor weinig problemen bij de studenten. Toch is aandacht voor PIM in het onderwijs gewenst.

Mijn onderzoek betreft een eerste inventarisatie van studenten en hun PIM waarbij naar verschillende aspecten is gekeken. Voor vervolgonderzoek geef ik de aanbeveling om te kijken naar de plaats van PIM in het curriculum en in de lessen informatievaardigheden.

Mijn scriptie kun je downloaden via http://bit.ly/masterscriptieleen en is ook te vinden via UVA Scipties Online.


1 reactie

Personal information management, you are your own librarian

Mijn laatste blogpost dateert van eind april, maar ik heb de afgelopen 3 maanden niet stil gezeten. Gisteren heb ik mijn masterscriptie ingeleverd met als titel: “Studenten en hun Personal Information Management”.

Take a look around your office, or better yet, look at your computer desktop.  The files, folders, applications and notes that you have accumulated are just a portion of your online intellectual life.  Think about where you have saved files online—Google Docs, Flickr, Dropbox, Evernote, Endnote, Gmail or one of thousands of other online services that help manage your information workflow.  Consider where you have published formal or informal scholarly works—research articles, proceedings, recordings of presentations; blog posts; books; your graduate thesis.  All of these information sources come together to comprise your personal scholarly library.  More often than not, you serve as your own librarian–gatekeeper, archivist, and organizer of your important scholarly information collections.

Ik hou me al jaren bezig met het thema informatievaardigheden, mijn graduaatscriptie uit 2007 gaat daarover en ook in mijn werk richt ik me er op. Tijdens de opleiding Informatie en Media volgde ik het vak Kennismanagement, wat me een ruimer inzicht gaf in de plek van informatie in de maatschappij en hoe mensen hun informatie managen. Mijn belangstelling in het thema werd daarna nog meer aangewakkerd  door de diepgaande literatuur behorende bij het vak Informatie in organisaties, onderdeel van het schakelprogramma Culturele Informatiewetenshap. Toen ik dus op zoek moest naar een thema voor mijn masterscriptie, wilde ik iets doen in de richting van informatie/kennismanagement.

Ik ging struinen op het internet en kwam een aantal blogsposts tegen waarin inspirerende uitspraken over dit onderwerp werden gedaan. Zo kwam ik uit op de post ‘Pulling the library out to the edge‘ op de blog ‘Liberal arts library’ waarin Mark Dahl zich afvraagt of we niet verkeerd bezig zijn tijdens de lessen informatievaardigheden aan studenten. Waarom proberen we studenten de oude, ‘juiste’ manier van het vinden van informatie aan te leren, terwijl dit in werkelijkheid niet goed aansluit bij een tijdperk van constante verandering. Joe Grobelny legt in zijn blog ‘Crate-digging and personal librarianship‘ de nadruk op het persoonlijke in het verzamelen van informatie. Hij vergelijkt persoonlijke muziekcollecties met bibliotheekcollecties: “I go after records whenever I have the bread to spend on them, plain and simple. Whatever I’m on the hunt for, I like to take my time and get as personal as possible with the shop and the joints I choose to listen to while I’m there.” En Ellysa Stern Cahoy maakt het af door te zeggen: “you are you own library” (bovenstaande quote vormt het begin van haar blogpost)!

Vanuit deze blogposts ben ik de literatuur ingedoken en kwam ik uiteindelijk uit op een aantal sleutelpublicaties over Personal Information Management (PIM). William Jones, Research Associate Professor aan The Information School van de universiteit van Washington, is een leidend auteur over het onderwerp met zijn boek Keeping Found Things Found. Zijn definitie wordt vaak geciteerd in de literatuur en het is ook de definitie die ik gebruikt heb in mijn scriptie: “PIM heeft betrekking op zowel de dagelijkse praktijk van als het onderzoek naar activiteiten die worden uitgevoerd om informatie te vinden, te verwerven, te creëren, op te slaan, te ordenen, te beheren, te gebruiken en te verspreiden. Deze informatie is nodig om taken (studie-/werkgerelateerd of niet) te voltooien en om rollen en verantwoordelijkheden (bijvoorbeeld als ouder, student, werknemer, vriend of lid van de gemeenschap) te vervullen.”

De inspiratiebron voor mijn onderzoeksvraag was het literatuuronderzoek dat Jos van Helvoort, docent aan de IDM opleiding van De Haagse Hogeschool, in 2011 uitvoerde. In één van zijn conclusies geeft hij aan dat de cognitieve verwerking van informatie meer aandacht verdiend in PIM-onderzoek en hij formuleert daarbij volgende potentiële onderzoeksvraag:

  • Welke instrumenten (bijvoorbeeld lokale bookmarks, online bladwijzers of persoonlijke notities) gebruiken mensen voor het opslaan van referenties naar informatie-items die ze hebben gevonden en als mogelijk nuttig hebben bestempeld voor toekomstig gebruik?

In mijn scriptie heb ik dus onderzoek gedaan naar studenten en hun PIM en ik heb daarbij de nadruk gelegd op de tools en strategieën die studenten hanteren voor het bewaren, beheren en organiseren van hun studiegerelateerde informatie. In mijn scriptie formuleer ik ook de uitdagingen en de mogelijkheden van PIM en daarbij ga ik specifiek in op wat PIM voor de student kan betekenen.

Auteur Ina Fourie heeft in 2011/2012 in het tijdschrift Library Hi Tech 4 artikelen geschreven over PIM en geeft daarin de mogelijkheden weer van PIM voor bibliotheken. Vanuit hun opleiding en achtergrond hebben bibliothecarissen een schat aan kennis over het gedrag en de praktijk van informatiegebruikers, informatiesystemen en information retrieval , het informatielandschap en –infrastructuur, informatievaardigheden, het organiseren en managen van informatie, informatie curatie en informatiegebruik en exploitatie. Hierdoor kunnen ze  gebruikers optimaal ondersteunen bij hun PIM-activiteiten. Dat bibliothecarissen alert moeten zijn op de PIM-activiteiten van de gebruikers ligt voor de hand. Veel PIM-vraagstukken zijn ook bibliotheekgerelateerd: organiseren van informatie zodat het kan worden teruggevonden, metadata en tagging, softwarekeuzes, informatievaardigheden (zoals identificeren van de informatiebehoefte, het selecteren van relevante bronnen om in te zoeken, het evalueren en analyseren van informatie) en gebruik van informatie. Hierbij moet er ook aandacht besteed worden aan technieken voor literatuurverwijzingen, het voorkomen van plagiaat, samenwerken bij het publiceren van informatie, delen van informatie en het exploiteren van informatie voor nieuwe mogelijkheden. Dit alles geeft duidelijk aan dat er een nauwe relatie bestaat tussen PIM- en bibliotheekactiviteiten. Fourie somt samenvattend de volgende redenen op waarom bibliotheken aandacht moeten besteden aan PIM:

  • Om de trend te zetten in het aanbieden van ondersteuning voor ICT-ontwikkelingen die invloed hebben op het toepassen van PIM, zoals PIM apps voor smarthphones en tablets
  •  Voor het ontwikkelen van informatievaardigheden leerlijnen om PIM op een pedagogische manier en in overeenstemming met leertheorieën en leerpraktijken te implementeren.
  •  Om gebruikers wegwijs te maken met nieuw softwarefuncties die PIM gerelateerd zijn, zoals het exporteren van literatuurverwijzingen uit databanken naar software voor het beheren van literatuurverwijzingen.
  • Om ervoor te zorgen dat onderzoeksresultaten, bijvoorbeeld van onderzoek naar het informatiegerelateerde gedrag van gebruikers of het toepassen van PIM door gebruikers, afgestemd worden op gebruikerstrainingen en ondersteunende diensten van de bibliotheek.

De artikelen zijn de moeite waard als leesvoer voor de onderwijsbibliothecarissen onder ons. Een voorproefje op mijn scriptie. Want die wordt momenteel beoordeeld door mijn docenten aan de UvA. Het is wachten op het verdict.


Een reactie plaatsen

Information retrieval: onderzoek zoekfuncties Office 365 en Google Docs

Tijdens mijn laatste vak aan de UvA heb ik samen met Peter Becker en Jacqueline Schaap gewerkt aan een verplicht onderdeel: een onderzoek gericht op zoeksoftware. We hebben gekozen om dit onderzoek uit te voeren naar twee bestaande zoeksystemen: de zoekfunctie van Office 365 van Microsoft en die van Google Docs.

De achterliggende gedachte bij deze keuze is het feit dat veel organisaties er voor kiezen om één van beide omgevingen te gebruiken ten behoeve van het eigen documentbeheer (een deel van de enterprise content). In beide omgevingen bestaan mogelijkheden om documenten te ordenen via een mappenstructuur, maar beide leveranciers claimen ook dat de kwaliteit van de zoekmachine een dergelijke werkwijze overbodig maakt. Wij waren dan ook geïnteresseerd in de scores van de beide zoekmachines ten aanzien van recall, precision en relevance ranking.

Als leidraad voor dit onderzoek hebben we gebruik gemaakt van een handzaam artikel van Tague-Sutcliffe uit 1992 waarin 10 stappen worden beschreven voor het opzetten van een information retrieval test. We hebben in beide systemen gewerkt met een testcollectie van 300 identieke documenten en 30 queries (20 known item queries en 10 subject search queries). Volgende metingen zijn uitgevoerd:

  • Bij een known-item query is er sprake van één relevant document als goede treffer. De criteria ten aanzien van het zoekresultaat waren dan ook: staat het document bij de eerste 10 resultaten en zo ja, op welke plaats?
    • Daartoe is de Mean Reciprocal Rank (MRR) gehanteerd. (Croft, 2010, p.323): als het document op rank 1 stond kreeg het de waarde 1/1= 1. Stond het op 2, dan de waarde ½=0,5 enzovoort. Per zoekmachine zijn 20 queries uitgevoerd, waarna de gemiddelde score is bepaald.
  • Bij de subject queries was vooraf bepaald welke documenten als relevante treffers (altijd meer dan 1) moesten worden teruggegeven door het systeem. Om te bepalen in hoeverre dat het geval was (recall) en op welke plaats in de ranking (precision) zijn de volgende meetmethoden gehanteerd:
    • Mean Average Precision (MAP) (Croft, 2010, p.317): kort gezegd geeft deze methode antwoord op de vraag: hoeveel relevants vind je in de top 10 en hoe hoog staan ze dan? De nadruk ligt hierbij op de precisie.
    • Zelf geformuleerde Raw score, geïnspireerd op Stenmark (2004): hoeveel van de relevante documenten vind je in de top 10? Hierbij ligt de nadruk op de recall.
    • 1/r weight en 1/SQRT(r) weight (Stenmark, 2004). Ook hierbij ligt de nadruk op de recall: relevante documenten die buiten de top 10 vallen, beïnvloeden de score negatief.
    • Om het onderscheid tussen de twee omgevingen te verfijnen, hebben we de Document Cut-off Value (DCV) toegepast. Ook deze methode is afkomstig uit Stenmark (2004) en wordt uitgebreider aangehaald door Hull (1993). De nadruk ligt op de precisie. We hebben metingen gedaan bij  6, 7,  8, 9 en 10 documenten. Bij de methode Stenmark/Hull wordt de cut-off value toegepast op de raw precision. Dat hebben wij ook gedaan, daarnaast hebben we de DCV toegepast op de MAP metingen.

Bij de subject search queries hebben we gekozen om ook de Raw score, de 1/r weight, de 1/SQRT weight toe te passen omdat bij deze metingen de nadruk ligt op de recall en ze daardoor een goede aanvulling zijn op de MAP. De DCV geeft daarnaast ook nog een verfijning op de MAP, beide leggen namelijk de nadruk op de precisie.

Geen echte winnaar maar Office 365 scoort beter bij known items

Office 365 soort bij de Mean Reciprocal Rank beduidend beter (MRR: 0,86) dan Google Docs (MRR: 0,62). Dat is in eerste instantie af te lezen aan de MRR in totaal, maar vermeld moet ook worden dat deze score niet wordt veroorzaakt door één of twee uitschieters: bij zes van de twintig queries scoorde Office lager dan Google, in de overige gevallen scoorde Office hoger of gelijk.

Bij de Mean Average Precision scoort Google beter (MAP: 0,71) dan Office (MAP: 0,69), hoewel het verschil gering te noemen is. Dat komt ook terug in de verdeling van de scores: in de helft van de tien queries scoorde Google hoger, in de andere helft Office.

De raw score (volgens eigen methode) gaf het volgende beeld:

Ook hier, waar de nadruk ligt op de recall, is Google Docs de winnaar. Vijfmaal scoort Google Docs hoger dan Office, driemaal scoren ze gelijk en tweemaal is de hogere score voor Office.

Hoewel de curve bij de 1/SQRT(r) weight vlakker is, komt bij zowel de 1/r weight als de 1/SQRT(r) weight precies hetzelfde beeld naar voren: Google Docs wint met een verwaarloosbaar verschil:

Opvallend is wel dat de verschillen bij sommige queries vrij groot zijn: de ene keer scoort Google veel beter, de andere keer Office. Een duidelijke lijn valt daar niet in te ontdekken.

De laatste meting was die waarbij we cut-off values (DCV) hebben bepaald op 6, 7, 8, 9 en 10 treffers.

Conclusie: Bovenin de ranking (cut-off 6 en 7) wint Office, naarmate de de cut-off hoger ligt (8,  9 en 10), scoort Google gemiddeld  beter. De verschillen zijn echter klein.

Het is interessant deze waarden te vergelijken met de MAP: scoort één van beide zoekmachines beduidend hoger als de DCV lager ligt dan 10? Bij deze berekening scoort Office .365 op alle niveaus beter dan Google Docs.

Dat is dus een verschil ten aanzien van de DCV bij de raw-score.

Op basis van ons onderzoek kan in ieder geval worden vastgesteld dat geen van beide zoekmachines als echte winnaar kan worden aangewezen omdat die beduidend beter scoort dan zijn tegenhanger. Ook in absolute zin zijn de scores niet indrukwekkend: een organisatie die grote hoeveelheden content wil opslaan in Google Docs of Office 365 doet er dan ook verstandig aan om niet uitsluitend te vertrouwen op de aangeboden zoekmachines.

Als we een winnaar zouden moeten aanwijzen, dan zou dat Office 365 zijn omdat die bij de known items duidelijk als beste scoort, niet alleen bij de totalen, maar in de meeste gevallen ook per query. In een enterprise omgeving doen known-item searches er vaak toe: men is op zoek naar een bepaald document en wil het snel hebben. Daarnaast scoort Office 365 beter bij een lage cut-off value.

Bekijk het volledige rapport voor alle volledige tabellen, een uitgebreide toelichting van de meetmethoden, een overzicht van de queries die we hebben gebruikt en onze kritische opmerkingen / lessons learned ten aanzien van het onderzoek.


2 reacties

Wat doen studenten nu echt in de bibliotheek?

In april heb ik ons onderzoek geïntroduceerd, daarna heb ik jullie verteld over hoe John Mackenzie Owen ons heeft begeleid in het onderzoek en heb ik de presentatie getoond die we hebben gegeven tijdens zijn afscheid. En dan is het nu tenslotte tijd voor alle resultaten.

Wat doen studenten in de bibliotheken van het hoger onderwijs?

Het simpele antwoord op deze vraag luidt: studeren!

Daarnaast heeft ons onderzoek, dat plaats vond in zeven universiteits- en hogeschoolbibliotheken en waarbij in totaal van 780 studenten (510 universitair en 270 HBO) gegevens zijn verzameld, volgende conclusies opgeleverd:

  • De meeste gebruikers bezoeken de bibliotheek een of meer keren per week, en blijven per keer twee uur of meer studeren.
  • De belangrijkste redenen om in de bibliotheek te studeren zijn de beschikbaarheid van een rustige studeerplek, en in het HBO ook de mogelijkheid om met anderen samen te werken.
  • De beschikbaarheid van de fysieke collectie is in het algemeen niet de reden waarom studenten studeren in de bibliotheek.
  • Vrijwel alle studenten gebruiken in de bibliotheek een pc of laptop, voor een verscheidenheid aan activiteiten.
  • De behoefte aan ondersteuning door bibliotheekpersoneel is zeer gering.

Studiezalen vervullen een belangrijke functie en voorzien in een evidente behoefte. Maar juist als je bovenstaande conclusies bekijkt zou je kunnen concluderen dat het heel goed mogelijk is om de studieruimte los te koppelen van de overige bibliotheekfuncties. Of toch niet? Ons onderzoek laat ook zien dat tijdens het studeren de studenten toch ook gebruik maken (al vormt het maar een klein onderdeel van het totaal aan activiteiten) van boeken, tijdschriften en andere faciliteiten. De Google-generatie weet de papieren informatie dus nog wel te vinden. Zolang dat gebruik er is, is het verstandig de werkplekken in de bibliotheek zelf te houden. De ondersteuning kan immers niet dichter bij de student worden gebracht. Bibliotheek en studieruimte vullen elkaar aan.

Bepaal zelf je eigen visie (bibliotheek en studieruimte loskoppelen of elkaar juist laten aanvullen) door ons hele onderzoeksrapport te lezen. Geen zin/tijd om de ruim 30 pagina’s door te spitten, lees dan mijn 4 pagina’s tellende samenvatting gepubliceerd in het decembernummer van de InformatieProfessional:

Het was een interessant onderzoek om te doen en ook een uitdaging door de prikkels die John ons gaf – rechtstreeks tijdens de colleges en onrechtstreeks door zijn artikel over de overbodige bibliotheek. Is de bibliotheek overbodig voor de student? De student maakt het niet uit waar hij zit, zolang hij maar de faciliteiten heeft om te studeren (en één van die faciliteiten is de collectie van de bibliotheek). Ons onderzoek laat daarin geen opmerkelijke dingen zien. De student gaat mee met zijn tijd: plaats- en tijdonafhankelijk kunnen werken wordt een algemeen goed. En als bibliotheek moeten we ons richten op de vraag: hoe krijgen we onze collectie van betrouwbare, relevante informatiebronnen bij de student? Het wereldwijde web zorgt ervoor dat we die zowel bij de student in de bibliotheek als buiten de bibliotheek kunnen krijgen. Zorgen goed met studenten gevulde bibliotheken (en de daaruit voortvloeiende positieve statistieken) er dan weer voor dat we onze ‘geldschieters’ (nu nog) kunnen overtuigen van ons nut, dan moeten we het vooral niet nalaten om de studieruimten de bibliotheek te laten aanvullen! Daarentegen moeten we ons ervan bewust zijn dat werkplekken dan misschien ervoor zorgen dat studenten naar de bibliotheek komen, het betekent zeker niet dat ze dan automatisch gebruik maken van de collectie!